Vibes

‘Mag ik jullie een verhaal vertellen?’
De man wacht het antwoord niet af, maar steekt meteen van wal. Hoe hij ooit rijk en gelukkig was, maar toen gedichten schreef waarin de waarheid werd afgepakt.
‘Sorry,’ zeg ik zodra hij een pauze laat vallen, ‘maar ik heb geen geld bij me.’

We zijn net de Albert Heijn uit komen lopen, mijn dochter en ik. Het is al laat, we komen bij een familieverjaardag vandaan waar aan hapjes geen gebrek was, maar hebben zin om nog iets te eten. Het was een lange fietstocht door de stad, van west naar oost, die langer leek te duren vanwege de vele trage fietsers voor ons, waarschijnlijk bedwelmde toeristen die niet weten dat ze het nog moeten leren. Er waren irritaties en het zijn altijd de irritaties aan de irritaties die ons het meest lijken te irriteren. In ruziemaken zijn we nooit goed geweest, maar naarmate haar puberteit vordert lijken we steeds vaker vast te lopen in gezwijg. Dat gezwijg wordt doorgaans doorbroken door een onderwerp dat ons overstijgt, waardoor alle irritaties tijdelijk zijn uitgebannen.
‘Wat vind jij een raarder idee: dat het universum eindig of dat het oneindig is?’ vraagt A terwijl we op zoek zijn naar bapao’s. Die eten we normaal nooit en daarom nu juist wel.

Het is iets waarover ik niet hoef te liegen, steeds minder vaak heb ik contanten op zak. Maar als ik die wel bij me heb, ben ik eerder geneigd die te geven aan iemand die rechtstreeks bedelt, dan aan iemand met een ‘verhaal’. Waarom weet ik ook niet, het is niet zo dat ik vind dat verhalen er minder recht op zouden hebben.
‘Ik heb wel wat,’ zegt A. Ze pakt iets uit het hoesje van haar telefoon en overhandigt het aan de man. Vol ongeloof houdt hij het voor zich.
Het is een tientje in de vorm van een hartje.
‘Dit is het mooiste dat ik ooit gezien heb, dit ga ik voor altijd bewaren,’ jubelt hij. ‘Dit is vanaf nu mijn geluksdingetje.’
‘Nou schat, dat is lief zeg,’ zeg ik, alsof mijn woorden ook maar iets mogen toevoegen aan de film waar ik nu in beland ben.
‘Heb jij zoiets ooit eerder aan iemand gegeven?’ vraagt de man. ‘Ik hoop het niet, want ik voel me nu zo bijzonder. Zeg maar niet dus. Vanwege mijn eeuwige dank ga ik nu een geheim laten zien.’
Hij pakt mijn handen vast, blijkbaar is er toch wel nog een rol voor mij weggelegd.
Dan kruist hij ze en steekt ze omhoog, zodat we samen een torentje vormen.
‘Dit heb ik uitgevonden,’ zegt hij. ‘Helemaal zelf bedacht, en nu gaan jullie dat ook doen. Als iedereen dat gaat doen, is er geen oorlog meer.’

Terwijl we wegfietsen, horen we de man roepen dat we elkaar in de hemel weer gaan zien. Ik vraag aan A hoe ze aan dat rare tientje komt. Ze vertelt dat haar vriendje altijd hartjes van haar zuurverdiende briefgeld vouwt.
‘En geef je dat vaker weg?’ vraag ik. ‘Tien euro is wel echt heel veel.’
Ik moet hard trappen om haar bij te benen, de bedwelmde toeristen komen vooralsnog niet in dit deel van de stad.
‘Nee, bijna nooit.’
‘Waarom nu dan wel?’
‘Ik weet niet, hij had wel een goede vibe ofzo.’
Vibes, iedereen heeft het er maar over de laatste tijd. Zelfs onze kersverse premier, die tijdens de campagne stelde dat het tegenwoordig niet meer gaat om rechts of links, maar om de juiste vibe. Ik doe meestal wel alsof ik weet waar het over gaat, maar ik vrees dat ik geen enkel gevoel voor vibe heb. Misschien ben ik wel vibedoof of -blind, het zou een hoop verklaren.

‘Wat ben je toch een engel zeg. Denk je dat-ie het echt altijd gaat bewaren?’
We fietsen onze straat in, de magnetron tegemoet.
‘Doe niet zo dom pap, gaat-ie drugs van kopen. En ik zou echt even je handen goed wassen zo.’