Dienstregeling

Op mijn koptelefoon schijnt een instelling te bestaan waarmee ik moet kunnen horen dat er omgeroepen wordt in de trein. Wanneer ik als kind van mijn tijd in podcast of playlist verdiept ben, verschijnt er soms een conducteur naast me om de gemiste boodschap persoonlijk over te brengen. Ik kijk dan om mij heen en constateer een geheel lege coupé. Hoe lang staat die conducteur daar al? Hoe lang staan we eigenlijk stil? En als ik niet ‘ontdekt’ was, wat was er dan gebeurd? Was pas op een rangeerterrein tot me doorgedrongen dat hier iets niet klopte?

Het zijn vaak griezelig opgewekte types, die treinconducteurs. Ze lijken ervan uit te gaan dat iedereen het leven wel begrijpt. Zo ben ik de afgelopen maand al drie keer met de volgende boodschap uit mijn sluimerstand gewekt:
‘We gaan niet verder dan dit station, want onze vertraging is te groot geworden.’
Het werd steeds zo vanzelfsprekend gebracht, dat elke vraag die het bij mij opriep oliedom voelde.

En misschien ís het ook wel volkomen logisch. Het deed me denken aan vroeger. Toen stelde ik het beginnen met leren voor een lastige toets vaak voor me uit. De stress nam dan steeds verder toe, tot ik onder ogen moest komen dat het nu toch echt te laat was om het boek nog open te slaan. De rust die dan over me heen viel was van een transcendente schoonheid. Zo ongeveer zal het met zo’n dienstregeling ook werken. En met zo’n levenshouding is al die opgewektheid dan dus ook wel enigszins te begrijpen.

Wanneer de trein mij naar het juiste station heeft gebracht, moet ik nog een flink stuk met een streekbus om op mijn werk te komen. Buschauffeurs zijn totaal andere types dan treinconducteurs - opgewektheid zit er doorgaans weinig bij - maar ook hen is enig defaitisme niet vreemd. Enige tijd terug maakte de naar javaanse jongens riekende chauffeur van dienst een wandeling door zijn voertuig om de inzittenden - die eerder waren ingestapt dan hij, omdat hij nog rookwolkjes stond te blazen in de kou - af te raden deze rit te nemen.
‘Het zit potdicht hier. Ik weet niet waar je heen moet, maar ik zou gaan lopen hoor,’ sprak hij tegen iedereen.
Hij klonk stellig en tegelijk leek hij zich er bewust van dat hij niemand zou overtuigen. Bijna had ik als enige willen uitstappen om die man met zijn droeve ogen een plezier te doen, maar zes kilometer lopen door een weinig inspirerend landschap leek me toch niet zo’n aantrekkelijk vooruitzicht. Uiteindelijk vertrok de bus met lichte tegenzin, we bleken nog geen vier minuten in een file - als je het al zo kon noemen - te staan. Mijn koptelefoon hield ik af, ik gunde het mezelf niet om weg te dromen.

Zoals gebruikelijk kwam ik ruim te vroeg op mijn werk. Mij zal je dan ook nooit horen klagen over het openbaar vervoer.