De Jongen

We zouden hem dan eindelijk gaan ontmoeten: De Jongen. Normaal werden jongens enkel meegenomen naar dat ándere huis en enigszins begrijpen deden wij dat ook wel. Dat huis telt immers twee etages meer dan onze stulp en veertienjarigen zitten er niet per se op te wachten constant ouderachtige aanhangsels om hen heen te hebben. Zeker niet veertienjarigen met verkering.
Al mocht het v-woord absolúút niet gebruikt worden, dat was ‘boomerig’ en bovendien was er nog helemaal niks uitgesproken. Maar ze zagen elkaar wel de hele tijd, zij en De Jongen.
‘Zo’n leuke jongen,’ had haar moeder hem door de telefoon beschreven.
‘Ja, dat zal wel,’ verzuchtte ik in de veronderstelling ook deze jongen nooit te zullen ontmoeten.
Maar blijkbaar was dit toch wel een hele speciale, want ons adres zou zowaar worden aangedaan. Eerst op vrijdagavond, maar daar zegde hij voor af.
‘Het spijt hem heel erg,’ zo legde A aan ons uit. ‘Maar hij is te nerveus om jullie te ontmoeten. Hij heeft dan ook een lange werkdag achter de rug.’
De Jongen werkte bij de Vomar, maar welk filiaal werd in het midden gelaten.
‘Ik vind het een goed teken dat hij nerveus is,’ zei N later die avond terwijl ik mijn tanden stond te poetsen, ‘betekent dat hij haar echt leuk vindt.’

Op zondagmiddag kwam de herkansing. We hoorden A de voordeur opendoen. Ik probeerde niet te luisteren of er gekus uit de gang klonk.
Ik zat in mijn luie stoel en toen De Jongen naar me toe kwam gelopen, legde ik mijn telefoon weg alsof het een krant was en kwam overeind. Dat had een soepele beweging moeten worden, passend bij de jeugdige ouder die ik toch zonder meer ben, maar m’n rug voelde stram en even was ik bang dat ik om zou vallen.
‘Ik ben Kasper’, zei ik en gaf hem een hand.
‘Een goedendag Kasper,’ sprak De Jongen.
Had mijn handdruk niet wat fermer kunnen zijn? Een beetje nerveus mocht hij toch best blijven.
Ze verdwenen naar A’s kamer. N bracht ze thee en een schaal met lekkers.
‘O, wat ziet dat er overheerlijk uit,’ hoorde ik De Jongen zeggen.
De Jongen was een welopgevoede jongen, zoveel leek duidelijk te zijn.
Het was wellicht een vaderlijk instinct om iets aan De Jongen te ontdekken wat niet zou deugen, maar ik drukte die neiging ogenblikkelijk weg. Ik was immers een relaxte en ruimdenkende vader, ook dat mocht toch wel duidelijk wezen.

Toen N mij toefluisterde dat wij, om die twee wat ruimte te geven in ons minuscule appartement, even op pad zouden gaan, volgde ik haar dan ook gedwee.
‘We zijn over een uurtje of anderhalf weer terug,’ riep ik op mijn vanzelfsprekendst naar de dichte deur.
‘Tot zo,’ riepen A en De Jongen in koor. Dat hij nog niet helemaal de baard in de keel leek te hebben, stelde me meer gerust dan ik aan mezelf wilde toegeven.

We droegen een grote tas die al enkele weken in de gang stond.
‘Brengen we lekker wat tijd door bij die nieuwe kringloop, ze hebben daar een hoop mooie spullen,’ zei N verlekkerd.
Zij had een oog voor mooie spullen, in haar gezelschap voelde ik me dan ook altijd een buitenkansje.
De nieuwe kringloopwinkel bleek echter dicht. Een vrouw aan de andere kant van de glazen deur gebaarde druk over een andere locatie waar we onze spullen konden brengen.
‘Daar gaan we mooi niet heen,’ zei N tegen mij, ‘dat is echt buiten onze route.’
Blijkbaar was er een route; als er iemand van het concert des levens een program had dan was N dat wel.
Voor de gesloten kringloopwinkel stond een kledingbak. Samen probeerde we de tas erin te krijgen, maar de klep wilde maar niet dicht.
N zette de tas voor ons neer en maakte hem open om de inhoud platter te drukken. Ik zag dat het allemaal kleren van A waren. Zoals het glittershirt dat ze nog niet lang geleden van mij kreeg, waar ze zo lang om gezeurd had. Of was dat wel al lang geleden?
‘Past dat allemaal niet meer?’ stamelde ik.
‘Ze past dit prima, haar smaak verandert sneller dan haar lengte. Is jou dat niet opgevallen dan? Met veel moeite heb ik nog een paar dingen hieruit kunnen krijgen, maar ze was onverbiddelijk dat de rest de deur uit kon.’

Terwijl A constant verandert, lijk ik steeds maar dezelfde te blijven. Beide zaken zullen wel bij de natuur horen. De klep van de bak ging eindelijk dicht, maar toen we hem weer opendeden bleek de tas er nog half uit te steken. Na een paar keer duwen gaven we het op. Schijnbaar vanuit het niets begon het toen te stortregenen. Ik keek op mijn horloge; nog minstens drie kwartier voordat ik weer thuis mocht zijn.