Mijn vrouw verstopt zich graag. Meestal doet ze dit terwijl ik een laatste boodschap pleeg voor het slapen gaan. Ik zie ’t meteen als ik de toiletdeur open: alle lichten in het huis zijn uit.
‘O nee toch, ik vind dit niet leuk!’ jammer ik, aanvankelijk om haar een plezier te doen.
Maar al na enkele stappen door het duister, op weg naar het dichtstbijzijnde lichtknopje, slaat de geacteerde angst om in oprechte horror.
Het slaat nergens op, want wij wonen vrij klein, dus het zijn altijd dezelfde plekken waar zij zich kan hebben opgesteld. Bovendien doet ze niks, ze zit daar maar, te luisteren naar mijn steeds panischere geadem. Ze hoort me dingen zeggen als: ‘Ik word hier te oud voor, zo kan ik niet functioneren hoor, dit moeten we niet meer willen.’ Teksten die niet per se ergens op slaan, maar die toch door mijn mond gevormd worden. Dezelfde mond die een getergde kreet slaakt wanneer zij dan uiteindelijk vanachter het gordijn op me af duikt, of vanonder het bed naar me toe komt rollen. Tot dusverre hebben we nog geen buren horen klagen over dat gegil, wel mijn dochter die al enige tijd op bed lag. Sindsdien verstopt mijn vrouw zich enkel nog in de weken dat haar bonuskind niet bij ons is. Het is fijn dat er zo enige regelmaat te ontdekken valt in deze huiselijke terreur.
Heel soms verstopt ze zich ook bij daglicht.
Dan zie ik dat zij eerder thuis is dan ik, en beweeg ik traag met mijn jas nog aan nerveus pratend door de gang. Onlangs duurde het verdacht lang voordat ze mij liet schrikken, wel drie keer was ik met bonzend hart het huis doorgelopen.
‘Ditmaal heb je wel een héél goede plek gevonden,’ sprak ik. ‘Chapeau, geweldig gedaan schat, een prestatie van formaat, maar nu is het wel weer leuk geweest.’
‘Tegen wie heb je het?’ hoorde ik haar achter me, terwijl ze twee volle boodschappentassen in de gang neerzette.
Je kan veel over mijn leven zeggen, maar saai is het nagenoeg nooit.