Sportschool

‘Ik heb de perfecte sportschool voor jou gevonden,’ zegt mijn vrouw.
Het is een hobby van haar, misschien wel een passie: research doen om anderen te helpen. Regelmatig ben ik een van die anderen, al weet ik niet altijd dat ik geholpen worden moest.
‘Het is een wat kleinere,’ legt ze uit, ‘niet bij zo’n enge keten. Wel een stuk duurder dus. Maar ze hebben zo’n eGym-cirkel. Je weet toch wat dat is? Die apparaten onthouden alles, je hoeft alleen maar te gaan zitten. Echt perfect voor jou dus.’

De apparaten in de eGym-cirkel blijken in een cirkel te staan. De instructeur heet Kai, dat geloof ik tenminste want hij is wat moeilijk verstaanbaar. Eerst laat hij zien hoe de kluisjes werken. Je moet een viercijferige code intoetsen en dan een kastnummer kiezen. Vervolgens geeft hij mij een plastic bandje, dat ik om m’n arm moet doen. Daar komt al op mijn informatie op te staan. Geduldig blijft hij staan naast ieder apparaat waar ik mijzelf in nestel. Met mijn bewegingen moet ik het balletje op het scherm voor me in juiste banen leiden. Af en toe tikt Kai wat aan op dat scherm en lijkt dan iets belangrijks te zeggen. Als we alle apparaten gehad hebben, zijn we weer uitgekomen waar we begonnen zijn.
‘En dan kan je nog een rondje,’ mompelt hij. ‘Maar rustig opbouwen hè.’

Het klinkt simpel, zo’n cirkel van apparaten. Maar waar ik toch wat nerveus van raak, zijn alle andere mensen die in die cirkel zitten. Je moet op het juiste moment ‘instappen’, om niet in elkaars vaarwater te raken. Vervolgens heb je 45 seconden overstaptijd om je lichaam in het aanpalende apparaat te installeren. Niet vergeten om je drinkfles en handdoek ook steeds mee te verhuizen.

Toen ik met Kai mijn rondje maakte, was het vrij rustig hier. De tweede keer dat ik hier ben zit de cirkel helemaal vol, op één plek na. Dat moet mijn plek dan dus zijn, zo redeneer ik. Ik loop erheen, maar net op dat moment staan alle cirkelgangers op om door te schuiven. Wat moet ik nu doen? Het zweet breekt me uit, en dat terwijl ik nog met sporten moet beginnen. Ik loop weer weg, alsof ik mij opeens herinner dat ik vandaag iets anders op het programma had staan. Vanaf de veilige loopband in de hoek sla ik de cirkel gade, proberend de logica van deze omgekeerde stoelendans te doorgronden.

Na de loopband pak ik de crosstrainer en daarna het roeiapparaat. De sportschool mag klein zijn, toch valt er genoeg te doen om de cirkel te vermijden. Maar de cirkel vormt het centrum; alles drááit om de cirkel. De overige apparaten staan zo opgesteld dat je aan die waarheid moeilijk ontkomen kan.

Dat hier geen typische sportschooltypes rondlopen, was me al opgevallen. Maar als tijdens het roeien mijn koptelefoon uitvalt, dringt het pas echt tot me door. Ooit bezocht ik andere sportscholen, hoewel nooit voor lange tijd. Daar overheerste intimiderend trots gebrul en gekreun. Hier klinkt, op een bedje van Toto-tonen, het gekraak en gerammel van gewrichten en gebitten. De gemiddelde leeftijd der cirkelaars moet zeker zeventig zijn.

Ik vraag mijn wederhelft waarom ze me naar een bejaardensportschool heeft gestuurd.
‘Ach schat,’ zegt ze, ‘dat zal net een groepje geweest zijn. Het is toch mooi om te zien dat daar niet alleen maar van die opgepompte types rondlopen. Ik denk dat jij je hier echt op je plek zal gaan voelen.’
‘Het maakt me ook niet zoveel uit hoor, het viel me gewoon op. Al vond ik het wel wat vies dat ik bij het doorschuiven bij een stoel kwam die vochtig was achtergelaten. Ik heb het maar met mijn handdoek opgeveegd, maar volgens mij was dat geen transpiratie.’

Steeds vaker durf ik in de cirkel te stappen. Er wordt hier inderdaad niet uitsluitend door bejaarden gesport, al vormen zij wel een vast deel van de klandizie. Ik merk hoe leuk ik het vind om in hun bijzijn net iets sneller te bewegen, net iets krachtiger te duwen en te trappen, dan ik van nature geneigd ben te doen. Kijk dan hoe jong ik ben, zeg ik bij mezelf. Kijk dat lichaam dan, hoe soepel die zijn rondjes maakt. Alles werkt zoals zou moeten. Zó vitaal, zó krachtig. Een frisse god en toch zo normaal gebleven. Vol begripvol geduld is mijn blik wanneer ik, binnen enkele seconden van de overstaptijd, sta te wachten naast het apparaat waar mijn naschokkende buur nog uit moet zien te komen.

Kai heb ik sinds die eerste keer nooit meer gezien. Zou hij ontslagen zijn, vanwege zijn onverstaanbaarheid? Andere medewerkers kom ik hier ook niet tegen, alleen bij de balie zit meestal een studente verveeld een tijdschrift te lezen.
‘Sorry, ik heb iets heel sufs,’ stamel ik beschaamd tegen haar. ‘Ik weet niet meer welk kluisje ik heb. Ik heb al twee keer de verkeerde ingetoetst, er staat dat ik nog maar één kans heb.’
‘Ach, dat geeft toch helemaal niet meneer,’ zegt ze. ‘Dat hebben we hier wel vaker.’
Ze loopt met me mee. Mijn spullen blijken in nummer 20 te zitten. Die heb ik net als eerste geprobeerd, dan had ik dat dus wél goed in mijn hoofd.
‘Er is iets vreemds met dit systeem aan de hand,’ zeg ik. ‘Iets heel heel vreemds.’
Ze zegt iets terug wat ik niet kan verstaan. Waarom spreekt iedereen de laatste tijd toch zo onverstaanbaar?

Dan herhaalt ze dat ik dan mijn code verkeerd zal hebben ingetoetst. Wat een brutale aanname, ik gebruik toch altijd dezelfde code. Of nou ja, soms gebruik ik de code van mijn pinpas. Dat zijn ook vier cijfers, dus dat gaat vrij automatisch. Altijd wat met die apparaten. Misschien moet mijn vrouw maar weer eens wat research doen.