Ansicht: Hokjesdenken

Een tijdje terug verbleef ik als ‘schrijver-in-residence’ een weekend op een wonderlijk kunstterrein in Leidsche Rijn, genaamd RAUM. Daar mocht ik broeden op een bijdrage aan de nieuwe podcastserie Ansicht, gemaakt door RAUM in samenwerking met hard//hoofd. De opdracht die ik en vijf andere schrijvers kregen, was het maken van ‘speculatieve fictie over de stad van de toekomst, beschreven vanuit niet-menselijk perspectief’. Dit leidde bij mij tot het verhaal ‘Hokjesdenken’, dat nu te beluisteren is als de eerste aflevering van Ansicht. De serie wordt vanaf eind april ook uitgezonden door VPRO’s fameuze Nooit Meer Slapen. Op 12 april is er een lanceringsfeest op RAUM, waar ik zal vertellen over hoe ik mijn verblijf aldaar ervaren heb. ‘Hokjesdenken’ is nu hier te beluisteren.

IMG_9608.jpg

Archief: Partijoverleg

Ik weet niet of u er al iets van heeft meegekregen, maar er schijnen weer verkiezingen aan te komen. Een aardige gelegenheid om eens terug te blikken op mijn eigen blauwe maandag in de politiek. De gemeentelijke weliswaar, maar toch. Drie jaar geleden was dat alweer:

Buiten regent het pijpenstelen. In het café is het donker en warm. Het ruikt er naar cacao en boenwas.
‘‘Zeg maar wat je wil drinken, jongen. Lekker koud pilsje doen?’’ vraagt Cees.
Hij is wat ronder en grijzer dan ik me had voorgesteld.
‘‘Een cappuccino graag.’’
‘‘O jee, een geheelonthouder. Die willen we niet op de lijst hebben hoor. Ja, we hebben Ibrahim natuurlijk, maar die mag niet van Allah. Wat is jouw excuus?’’
‘‘Wel, dat het elf uur ’s ochtends is?’’
‘‘Ah, de tijd, de tijd. Jij bent toch filosoof? Dan ga je toch niet in zo’n naïef construct als de tijd trappen? Dan weet je toch beter dan dat?’’
‘‘Nou, vooruit, doe maar een biertje dan.’’
‘‘Zo mag ik het graag horen. Frederick, een glas gerstenat voor deze verlichte denker hier en voor mij het bekende recept.’’
De barman, die geduldig naast ons tafeltje heeft staan wachten, knikt. [Lees verder op hard//hoofd]

Archief: Snackbarman

Vandaag heb ik me na een uitputtende interne strijd maar weer eens bij een sportschool ingeschreven. Beweging op zich vind ik al vervelend genoeg, maar alle sociale interactie die erbij komt kijken maakt het pas echt een uitdaging voor mij. Maar zo erg als in deze column van twee jaar geleden zal het vast niet zo snel worden:

Een van mijn goede voornemens voor het nieuwe jaar is om socialer te zijn. Nu kan ik aardig sociaal overkomen als ik met vrienden in de kroeg zit, maar in het dagelijks verkeer ben ik een zombie die uitsluitend gesprekken voert in zijn hoofd. Het is niet zozeer dat ik verlegen ben, maar koetjes en kalfjes blijf ik lastige onderwerpen vinden. ‘‘Groet gewoon eens wat mensen,’’ moedigt mijn vrouw mij aan. Wonderbaarlijk genoeg is zij altijd potentie in mij blijven zien. ‘‘Je krijgt er zoveel voor terug!’’ Wat ik ervoor zou krijgen weet ik niet, maar het valt allicht te proberen. [Lees verder op hard//hoofd]

Open einde

De dag dat ik besluit te stoppen met schrijven word ik met een anoniem nummer gebeld door ene Freek. 'We kennen mekaar wel,' zegt hij. 'We hebben colleges samen gevolgd.' Hij spreekt 'colleges' uit alsof het geheime bijeenkomsten waren, waar vooral geen verdere woorden aan mogen worden vuilgemaakt. 'Natuurlijk ken ik je,' lieg ik, 'hoe is het ermee?' 'Uitstekend,' zegt hij, 'maar laten we meteen ter zake komen: kunnen wij elkaar vanavond ontmoeten?' Er gaat een rilling door me heen. Dit is een gesprek zoals je die normaal alleen in films ziet. Ergens heb ik het gevoel dat ik mijn hele leven op dit telefoontje heb zitten wachten, dat alles wat hieraan vooraf ging een oefening was voor dit moment. 'Waar?' vraag ik zakelijk. 'Café 't Pimpeltje, hoek Brandnetelgracht – Enge Kaassteeg, tien over acht,' zegt hij en verbreekt de verbinding. [Lees verder op hard//hoofd]

Beetje raar

Ik pas op in het huis waar ik ooit woonde. Mijn ex heeft het heel voorzichtig gevraagd. Ze weet dat ik liever niet meer op die plek kom, dat er teveel herinneringen rondwaren aan dat wat was, zou komen en niet mocht blijven. Het leven nu is overzichtelijk. De helft van de week is Annika bij haar, de andere helft bij mij. Bijpraten doen we wel telefonisch of in een café. Bij elkaar over de vloer komen we enkel kort wanneer het kind gehaald of gebracht moet worden. Maar ze vraagt het zo voorzichtig - de oorspronkelijke oppas blijkt ziek te zijn en ze moet toch echt de deur uit om een debat te leiden over de vrije wil - dat enig ander antwoord dan ‘uiteraard, geen probleem’ misplaatst zou voelen. En ach, inmiddels moet het toch ook wel kunnen. De tijd heelt alle wonden en wat overblijft zijn hoogstens littekens om met weemoed over te aaien. [Lees verder op hard//hoofd]

Door de war

‘Meneer, meneer’, wordt er geroepen. Ik stap af van mijn fiets en loop terug naar waar het geluid vandaan komt. In de berm naast het fietspad staat een oudere vrouw met haar armen te zwaaien.
‘Ik heb al dagen niet meer gegeten,’ jammert ze. ‘Mijn man heeft al mijn geld afgepakt. En mijn zoon ligt thuis met een longontsteking.’
Het is een hoop informatie om in één keer te verwerken. Ik dacht dat ze alleen maar de weg zou vragen. Tegenwoordig grijp ik elke gelegenheid aan om daarmee te oefenen. Als postbode kan ik immers niet meer met goed fatsoen zeggen dat ik het ook niet weet. Gelukkig merk ik dat het steeds minder voorkomt dat ik mij later realiseer iemand totaal de verkeerde kant te hebben opgestuurd. Ook raak ik zelf steeds minder verdwaald. [Lees verder op hard//hoofd]

hh-verward.jpg

Mannetje van de intercom

Ik had me erop ingesteld de hele dag te moeten wachten op het mannetje van de intercom en had dan ook al mijn afspraken afgezegd, maar een minuut voor het vroegste tijdstip dat hij mogelijk kon arriveren ging al de bel. De bel klonk anders dan normaal, scheller. 'Hallo,' riep ik door de intercom. 'Hallo,' hoorde ik achter me. Blijkbaar was het mannetje al binnen. [Lees verder op hard//hoofd]

Een goede morgen

Ik word wakker met tintelende tenen. Dat gevoel meen ik in vroegere tijden vaker te hebben ervaren, het gevoel dat de dag letterlijk voor mijn voeten ligt en ik er alleen nog maar in hoef te stappen. Tegenwoordig ontwaak ik steevast met het idee dat mijn voeten en de dag zich in parallelle universa bevinden; pas tegen het eind van de middag kunnen ze enigszins synchroon gaan lopen. Waarom vandaag het gevoel is teruggekeerd weet ik niet. Misschien is een nieuwe levensfase aangebroken, misschien heb ik eindelijk eens fatsoenlijk weten uit te slapen. Ik zal zo op de klok van mijn telefoon kijken om te zien of dat laatste het geval is, maar het aanzetten van het toestel stel ik nog even uit. Voordat de buitenwereld zich via piepjes mijn dag binnendringt, wil ik er eerst nog even met alleen mezelf in kunnen toeven. Ik neem een hete douche, al aria's zingend die ik ter plekke verzin en mezelf grondiger schrobbend dan ik in weken gedaan heb. Ach, wat zal dat kopje koffie zo hemels smaken! Ik zet de douche uit en zoek in de met stoom gevulde ruimte naar iets om mij mee af te drogen. Ik bedenk dat alles in de was zit, maar in een doos op de gang moeten nog wat schone handdoekjes liggen. Hoe zo’n laatste verhuisdoos het voor elkaar krijgt nooit uitgepakt te worden, is een van de grotere mysteriën der mensheid. Mijn aria verder zingend betreed ik de gemeenschappelijke gang. Ik zie een blender, twee cd-rekjes en het spel Wie is het?. Die handdoeken had ik blijkbaar toch al opgeborgen, dan moeten ze dus in de la onder mijn bed liggen. Pas wanneer ik met mijn natte hand tegen de deur duw begrijp ik dat dat ik mezelf heb buitengesloten. [Lees verder op hard//hoofd]

Verboden te poepen

Dat het volgens bepaalde culturen niet is toegestaan een grote boodschap te doen in een openbare gelegenheid, was mij nog niet bekend toen ik mij terugtrok in het kleinste kamertje van café De Zwabber. Ik had zojuist een vette hap met hete saus geconsumeerd in het etablissement ernaast en zoals dat vaker gaat met dat type traktaties, moest het er meteen weer uit. Er zijn tijden geweest dat ik overwogen zou hebben hiervoor huiswaarts te keren, maar met de jaren ben ik steeds beter geworden de dingen te accepteren zoals ze zich aandienen. Dit was bovendien geen avond om je over futiliteiten - zoals de schaamte die gepaard kan gaan met biologische behoeften - druk te maken. Voor het eerst in lange tijd zag ik mijn goede vriend Felix weer eens en we waren goed op weg om prettig dronken te worden. [Lees verder op hard//hoofd]

Hoop dat je het niet erg vindt dat je nu niet meer bestaat

Mirthe vindt het niet erg dat ze niet meer bestaat.
‘Zo gaan die dingen nu eenmaal in de literatuur,’ zegt ze. ‘Het ene moment besta je en het volgende moment heb je nooit bestaan. Waar het om gaat is of je bijdraagt aan het grotere verhaal.’
‘En dat deed jij duidelijk niet,’ vul ik haar opgelucht aan. ‘Je vormde onnodig ballast.’
Uit de woonkamer klinkt het kabaal van haar zoon Jurriaan en mijn dochter Annika. Ze doen alsof ze indianen zijn, ook die bestaan bijna niet meer. De zon straalt op het marmeren aanrecht.
‘En echt een belangrijke rol speelde je toch al niet bepaald. Je viel vrij gemakkelijk te verwijderen.’
‘Nou, dan zal het vast ook niemand opvallen dat ik ooit bestond,’ stelt Mirthe vast terwijl ze de pasta afgiet.
‘De lezers die jou niet kenden sowieso niet. Maar vrienden zouden nu wel kunnen denken dat jij Zwaan bent.’
Mirthe draait zich om en lacht vol ongeloof.
‘Waarom dat? Ik lijk toch helemaal niet op Zwaan?’
‘Nee, niet bepaald. Maar zij is nu wel de moeder van jouw kind.’ [Lees verder op hard//hoofd]

De grote opruiming

Het huis waar ik ben opgegroeid is het mooiste huis ter wereld. Al mijn oude schoolvrienden beamen dat. Met tal van verborgen ruimtes achter de kronkelige trapjes en onder de ingebouwde bedstedes, was dit zeventiende-eeuwse herenhuis hét verstoppertje-walhalla. Als ik deze vrienden mededeel dat het verkocht is, zie ik in hun ogen dat een deel van hun jeugd ontnomen wordt. Mijn ouders verhuizen binnen hun pittoreske plaatsje een straat verder. Ze mogen nu dan nog uitermate kwiek zijn – sinds hun pensioen zijn ze actiever dan ooit in onder meer zangverenigingen en gemeenteraden – maar de tijd zal ook op hen vat krijgen. De nieuwe woning is van alle gemakken voor het bejaardenrijk voorzien, zoals een lift en een scootmobielparkeerplek. Mijn moeder heeft het gevoel alsof ze levend begraven gaat worden, maar mijn vader is een praktisch man en kijkt graag vooruit. De afgelopen tien jaar liet hij met regelmaat weten dat ik eens langs moest komen om mijn troep uit te zoeken. De noodzaak daartoe begreep ik nooit zo goed; al deze ‘troep’ (zoals schoenendozen vol onverstuurde liefdesbrieven en schoolschriften met opstellen waar het Letterkundig Museum wellicht ooit interesse in zou kunnen tonen) lag daar toch prima? Ik beschouwde mijn ouderlijk huis als een conserveringsplek voor de eerste helft van mijn leven, een helft waar ik nooit naar om hoefde te kijken omdat hij daar altijd was. Maar nu lijkt de tijd toch echt aangebroken om onder ogen te durven komen dat niets in het leven voor eeuwig hetzelfde blijft. Mijn zus en ik moeten dit weekend naar huis komen om onze kamers op te ruimen. [Lees verder op hard//hoofd]

Verdraaid tevreden

Eigenlijk heb ik het toch maar mooi voor elkaar. Ik leef in een welvarend land, verkeer in redelijke gezondheid, heb veel lieve vrienden, een fantastische dochter en een aardige verzameling platen. Bovendien heb ik bescheiden ambities; een groots en meeslepend leven hoeft van mij niet zo nodig en rijk of beroemd worden lijkt me teveel gedoe. Je zou dus zeggen dat ik in een constante staat van tevredenheid moet verkeren, maar het tegendeel is waar. Over de kleinste dingen kan ik me druk maken. En waar ik me dan vooral druk om maak is dat ik me over die dingen druk maak, als ik iets niet uit kan staan dan is dat het dat wel. [Lees verder op hard//hoofd]

De kermis

Het is weer eens vakantie. De grootste uitdaging van vrije dagen is om met een onderhoudend kinderprogramma op de proppen te komen. Enkele dagen voordat ik Annika bij haar moeder ophaal, speur ik het internet al af naar activiteiten. Voordat Annika naar school ging was dat iets waar ik me wel een paar keer per week mee bezig moest houden, maar toen kon ze zichzelf tenminste nog urenlang in speeltuinen of ballenbakken vermaken terwijl ik op een bankje een boek las. [Lees verder op hard//hoofd]

Dag Bowie

In de herfst van 2004 legde ik in een Free Record Shop nogal beschroomd een cd’tje op de toonbank. Het was een ‘best of’ van André Hazes. Ik had nagenoeg niks met de muziek van deze man, om wie op dat moment het halve land in rouw verkeerde, en ik heb er ook nooit wat mee gekregen. Maar door zijn dood voelde ik blijkbaar opeens de vreemde behoefte iets van hem in huis te halen. Het was een gevoel waar ik me tegen probeerde te verzetten, want het leek zo misplaatst. Op zo’n postmortaal-muzikale aandrang heb ik mezelf vaker betrapt. Soms ging het dan om artiesten waar ik wél reeds liefhebber van was, zoals Lou Reed of Johnny Cash. Al voelde het dan minder gezocht om hun werk uit de kast te trekken, het bleef toch altijd iets wrangs houden. Alsof de muziek opeens in waarde was gestegen door zoiets banaals als de dood. [Lees verder op hard//hoofd]

David-Bowie-width-540-540x825.jpg